'Hundreds of Beavers': bevers en konijnen leggen het loodje in knotsgekke pastiche (2022)
Indiekomedie leent met groot komisch vernuft uit klassieke slapstick, cartoons en videogames.
Regie: Mike Cheslik | Scenario: Mike Cheslik, Ryland Brickson Cole Tews | Cast: Ryland Brickson Cole Tews (Jean Kayak), Olivia Graves (The Furrier), Doug Mancheski (The Merchant), Wes Tank (The Master Fur Trapper), Luis Rico (The Indian Fur Trapper), e.a. | Speelduur: 108 minuten | Jaar: 2022
Graanstoker Jean Kayak raakt zijn inboedel kwijt door toedoen van bevers en moet het zien te rooien als jager. Oorspronkelijk bedacht als parodie op overlevingsfilms, schraapten schoolvrienden Mike Cheslik en Ryland Brickson Cole Tews stukje bij beetje het geld bij elkaar voor Hundreds of Beavers. Het lage budget noopte tot gewiekste houtje-touwtjeoplossingen met wat hulp van Adobe After Effects. Het resultaat? Een knotsgekke pastiche.
De verwijzingen buitelen over elkaar heen. Deze grotendeels zwijgende film leent van klassieke slapstick, Looney Tunes en computerspellen om een eigen absurde logica op te bouwen. Zo beleeft Jean avonturen in sequenties à la Super Mario, eindigen zijn gevangen konijnen in de buik van hongerige wasberen en spoort een beverduo gekleed als Sherlock Holmes en Dr. Watson hem op. Acteurs in dierenpakken spelen de dieren, wat een licht unheimisch gevoel geeft.
Wie Hundreds of Beavers met de hippe term 'breinrot' wil wegzetten, zit ernaast. Die classificatie gaat wellicht op voor de stupide reboot van Scary Movie eerder dit jaar, maar Cheslik en Tews stutten de capriolen van Jean met een gedegen vertelstructuur. Onverwacht leent deze slapstick zich zelfs als schoolvoorbeeld van de archetypische heldenreis.
Cheslik en Tews etaleren veel inventiviteit in de opzet van de grappen. Het verbluft telkens weer hoe Jean de schamele materialen in zijn omgeving op nieuwe manieren inzet. Zo tovert Jean ijspegels tevoorschijn met een pepermolen en wordt de fauna van Wisconsin gevangen met de mafste toestellen. Uiteraard ontbreken running gags niet, maar de specht die steevast komt als Jean enthousiast fluit, krijgt continu een nieuwe functie.
De ontelbare hoeveelheden door Jean afgeslachte 'furries' doen echter wat cru aan, ook al blijken hun ingewanden net zo pluizig als de kostuums zelf. Ook voelt de humor van Hundreds of Beavers beperkt, ondanks alle uitbundigheid. Hoewel de opzet keer op keer verschilt, eindigt de clou maar al te vaak in iemand die op zijn plaat gaat. Ondertussen komt de kritiek op de ecocide van de bevers en het kolonialisme van de jagers geforceerd over.
Jean verkoopt zijn buit aan een handelaar op wiens dochter hij een oogje heeft. Het prijsbord vol symbooltjes doet denken aan avonturenspellen als The Legend of Zelda, net als de kaart waarop Jean bijhoudt waar wat te jagen valt. De makers wilden dan ook een 'let's lay' maken (een schermopname van een gespeeld computerspel, bedoeld voor vermaak).
Deze spelervaring komt in Hundreds of Beavers echter over als 'experience point farming': Jean herhaalt dezelfde klusjes om dieren te vangen, waarna hij bij de handelaar power-ups kan kopen om er nog meer te vangen, ad infinitum. Door die herhaling voelt het middenstuk eindeloos aan, als een herinnering aan het punt van filosoof Theodor Adorno dat in deze gerationaliseerde samenleving de vrije tijd net zo ingepland wordt als de arbeid.
Adorno prees kunst die een zekere professionaliteit mist en zo aan die rationalisering kan ontsnappen. Het is de vraag of deze zelfstandig geproduceerde en gedistribueerde film binnen een filmstudio had kunnen ontstaan; Hundreds of Beavers voelt als het werk van buitenstaanders. De maffe ontknoping waarin Jean een beverfort infiltreert, doet denken aan de verbluffende actiescènes van Buster Keaton - iemand die het best gedijde toen hij zijn eigen films nog produceerde. Het komische vernuft zindert in ieder geval na.
Graanstoker Jean Kayak raakt zijn inboedel kwijt door toedoen van bevers en moet het zien te rooien als jager. Oorspronkelijk bedacht als parodie op overlevingsfilms, schraapten schoolvrienden Mike Cheslik en Ryland Brickson Cole Tews stukje bij beetje het geld bij elkaar voor Hundreds of Beavers. Het lage budget noopte tot gewiekste houtje-touwtjeoplossingen met wat hulp van Adobe After Effects. Het resultaat? Een knotsgekke pastiche.
De verwijzingen buitelen over elkaar heen. Deze grotendeels zwijgende film leent van klassieke slapstick, Looney Tunes en computerspellen om een eigen absurde logica op te bouwen. Zo beleeft Jean avonturen in sequenties à la Super Mario, eindigen zijn gevangen konijnen in de buik van hongerige wasberen en spoort een beverduo gekleed als Sherlock Holmes en Dr. Watson hem op. Acteurs in dierenpakken spelen de dieren, wat een licht unheimisch gevoel geeft.
Wie Hundreds of Beavers met de hippe term 'breinrot' wil wegzetten, zit ernaast. Die classificatie gaat wellicht op voor de stupide reboot van Scary Movie eerder dit jaar, maar Cheslik en Tews stutten de capriolen van Jean met een gedegen vertelstructuur. Onverwacht leent deze slapstick zich zelfs als schoolvoorbeeld van de archetypische heldenreis.
Cheslik en Tews etaleren veel inventiviteit in de opzet van de grappen. Het verbluft telkens weer hoe Jean de schamele materialen in zijn omgeving op nieuwe manieren inzet. Zo tovert Jean ijspegels tevoorschijn met een pepermolen en wordt de fauna van Wisconsin gevangen met de mafste toestellen. Uiteraard ontbreken running gags niet, maar de specht die steevast komt als Jean enthousiast fluit, krijgt continu een nieuwe functie.
De ontelbare hoeveelheden door Jean afgeslachte 'furries' doen echter wat cru aan, ook al blijken hun ingewanden net zo pluizig als de kostuums zelf. Ook voelt de humor van Hundreds of Beavers beperkt, ondanks alle uitbundigheid. Hoewel de opzet keer op keer verschilt, eindigt de clou maar al te vaak in iemand die op zijn plaat gaat. Ondertussen komt de kritiek op de ecocide van de bevers en het kolonialisme van de jagers geforceerd over.
Jean verkoopt zijn buit aan een handelaar op wiens dochter hij een oogje heeft. Het prijsbord vol symbooltjes doet denken aan avonturenspellen als The Legend of Zelda, net als de kaart waarop Jean bijhoudt waar wat te jagen valt. De makers wilden dan ook een 'let's lay' maken (een schermopname van een gespeeld computerspel, bedoeld voor vermaak).
Deze spelervaring komt in Hundreds of Beavers echter over als 'experience point farming': Jean herhaalt dezelfde klusjes om dieren te vangen, waarna hij bij de handelaar power-ups kan kopen om er nog meer te vangen, ad infinitum. Door die herhaling voelt het middenstuk eindeloos aan, als een herinnering aan het punt van filosoof Theodor Adorno dat in deze gerationaliseerde samenleving de vrije tijd net zo ingepland wordt als de arbeid.
Adorno prees kunst die een zekere professionaliteit mist en zo aan die rationalisering kan ontsnappen. Het is de vraag of deze zelfstandig geproduceerde en gedistribueerde film binnen een filmstudio had kunnen ontstaan; Hundreds of Beavers voelt als het werk van buitenstaanders. De maffe ontknoping waarin Jean een beverfort infiltreert, doet denken aan de verbluffende actiescènes van Buster Keaton - iemand die het best gedijde toen hij zijn eigen films nog produceerde. Het komische vernuft zindert in ieder geval na.